Blog

Artikel 1: handelsnaam- en merkbescherming?

13/01/2017 - ICT/IE

 

Art. 1. en artikel 1: Gelijke gevallen? Of geen handelsnaam- en merkinbreuk?

Op kerstavond 2016 werd het bekendgemaakt. Sylvana Simons begon haar eigen partij, genaamd ‘Artikel 1’. De Stichting Expertisecentrum Discriminatie (verder: SED) – die verschillende antidiscriminatiebureaus in ons land heeft – maakt echter eveneens gebruik van de naam ‘Art. 1’. SED kan zich niet in de partijnaam van Simons vinden. De stichting meent dat sprake is van inbreuk op haar handelsnaam en haar merkenrecht. Inmiddels luidden de koppen: Sylvana moet naam partij aanpassen’, Anti-discriminatiebureau Art. 1 start procedure om partijnaam Sylvana Simons’, en Zaak dreigt voor Sylvana Simons om partijnaam Artikel 1′.

Wat is er aan de hand?

Het door beide partijen gehanteerde Artikel 1 is een verwijzing naar het eerste artikel uit onze Grondwet, waarin staat:

“Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.”

SED is voornemens een procedure te starten tegen Sylvana Simons om haar het gebruik van de naam Artikel 1 te (doen) laten staken. SED stelt dat Simons geen gebruik mag maken van deze naam. De redenen die hiervoor worden aangevoerd zijn:

  1. de naam Artikel 1 zou niet verbonden moeten zijn aan één partij;
  2. ‘Art. 1’ zou boven de politieke partijen moeten staan, maar dat gaat niet als één partij zich onze naam toe-eigent en zich hetzelfde profileren;
  3. de partijnaam ‘Artikel 1’ maakt inbreuk op het merkrecht, dat de organisatie in 2007 liet vastleggen voor de Benelux;
  4. er is sprake van gevaar voor verwarring.

Zal SED met deze argumenten de strijd winnen? In het navolgende zal ik de argumenten van SED bij langsgaan.

Redenen 1 en 2

Redenen 1 en 2 zijn vooral wenselijkheidsargumenten. Ook zijn de redenen die SED opgeeft op SED zelf van toepassing. SED probeert Sylvana Simons het gebruik van een naam te ontzeggen die volgens SED zelf vrij zou moeten zijn. Ook kan SED niet optreden namens het ‘algemeen belang’, maar alleen ageren vanuit haar eigen rechtspositie.

Reden 3

De weerlegging van reden 3 ligt iets genuanceerder. Daarvoor moet worden ingegaan op het ontstaan van een merkrecht. SED roept namelijk een merkrecht in dat zij in 2007 heeft ingeschreven. Het gaat om een beeldmerk, met daarin de tekst(en) ‘Art. 1. Artikel 1’ Het inschrijvingsverzoek voor het woordmerk Artikel 1 is op 30 december 2016 ingediend[1] en momenteel in behandeling bij het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (verder: BBIE).

Voordat een merk wordt ingeschreven, wordt door het BBIE getoetst of het merk onderscheidend vermogen heeft, enerzijds in relatie tot de waren of diensten waarvoor de inschrijving van het merk is aangevraagd, en anderzijds in relatie tot de perceptie van het publiek (de gemiddelde consument[1]) van die waren of diensten.

Een merk dat beschrijvend is heeft vanuit zichzelf geen onderscheid vermogen, en zal niet worden ingeschreven, maar kan dit later (door middel van inburgering) alsnog verkrijgen. Het meest sprekende voorbeeld hiervan is ‘Marktplaats’. Dit teken is men na verloop van tijd pas als de bekende website gaan herkennen.

Soms zie je dat een organisatie een beschrijvende naam toch als merk wil gebruiken. Omdat het woord te beschrijvend is om in te schrijven kiest men er dan voor om een logo waarin het woord staat te deponeren. Dat logo heeft als ‘teken’ onderscheidend vermogen en wordt dan ingeschreven als merk, terwijl het woord dat erin staat dit vanuit zichzelf niet heeft.

De beschermingsomvang van een dergelijk merk is daarom beperkt. De beschermingsomvang van een dergelijk merk is ook gerelateerd aan het depot. SED probeert haar merkrecht (het logo met daarin de tekst: ‘Art. 1. Artikel 1’) in te zetten tegen het gebruik van Sylvana Simons van Artikel 1 als partijnaam. Sylvana Simons gebruikt Artikel 1 niet als merk of teken in de zin van het Benelux Verdrag inzake de intellectuele eigendom, hierna ook wel ‘merkenverdrag’ genoemd. Alleen daarom denk ik dat SED niet met een beroep op het merkenverdrag Sylvana Simons het gebruik van Artikel 1 kan ontzeggen.

In het geval dat ‘Artikel 1’ wel als merk of teken in de zin van het merkenverdrag zou kunnen worden aangemerkt, dan zou SED zich alleen kunnen beroepen op artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE, en dienen aan te tonen dat Sylvana door gebruik van ‘Artikel 1’ als partijnaam, zonder geldige reden, ongerechtvaardigd voordeel trekt van het logo van SED of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het logo van SED.

Het verwarringscriterium waar SED op hint is alleen aan de orde als het gewraakte teken in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten. Artikel 1 wordt niet in het economisch verkeerd gebruikt, waardoor (merkenrechtelijk) niet relevant is of er sprake is van verwarringsgevaar.

Al met al slaagt reden 3 volgens mij ook niet. SED kan niet met een beroep op haar merkrechten Sylvana het gebruik van de partijnaam Artikel 1 ontzeggen. SED heeft geen merkbescherming, en als SED dat onverhoopt wel heeft, dan dient SED aan te tonen dat men[2] met de partijnaam Artikel 1 een verband legt met het teken van SED in de plaats van met de Grondwet, dat dit leidt tot schade, en dat hiertoe geen geldige reden is. Dat lijkt mij een (te) hoge drempel.

Reden 4

De vraag of er sprake is van gevaar voor verwarring speelt ook in het handelsnaamrecht. Ook hier heeft SED te maken met een uitdaging. In artikel 1 van de handelsnaamwet staat namelijk dat een handelsnaam een naam is waaronder een onderneming wordt gedreven. Een politieke partij is dus geen onderneming in de zin van de handelsnaam en de handelsregisterwet, omdat deze geen winst nastreeft, maar een ander doel heeft. Aan de vraag of er sprake is van gevaar voor verwarring tussen beide ‘ondernemingen’ in de zin van artikel 5 van de handelsnaamwet, komt men dan ook in dit geval niet toe. Daar komt bij dat beschrijvende aanduidingen niet via de handelsnaamwet gemonopoliseerd mogen worden, en het nog de vraag is of SED ‘Artikel 1’ of ‘Art. 1’ daadwerkelijk als handelsnaam gebruikt.

Aanvullende reden?

Wellicht dat SED een beroep kan doen op de aanvullende werking van de onrechtmatige daad. In dat geval zou SED moeten aantonen dat er sprake is van verwatering of verwarring van de handelsnaam met de niet-handelsnaam of afbreuk aan de reputatie van de onderneming door het gebruik van Sylvana Simons van haar niet-handelsnaam. In de literatuur staat vast dat beschrijvende aanduidingen niet gemonopoliseerd mogen worden. De discussie zal dan zijn of ‘Artikel 1’ als handelsnaam is gebruikt, en zo ja, of de naam (te) beschrijvend is om een onrechtmatige-daadsactie in te kunnen roepen (hetgeen volgens mij zo is) en of het Sylvana Simons vrijstond om deze naam te gebruiken (ik denk van wel).

Conclusie

SED kan met haar huidige argumentatie niet op grond van het merkenrecht of het handelsnaamrecht optreden tegen Sylvana Simons. ‘Artikel 1’ wordt niet als merk, noch als handelsnaam gebruikt. Mogelijk dat SED een beroep kan doen op de aanvullende werking van de onrechtmatige daad. Een beroep hierop zal naar mijn verwachting ook niet slagen, omdat Artikel 1 te beschrijvend is en dit zou leiden tot monopolisatie. De dreiging is niet reëel en we kunnen op zoek naar ander nieuws.

 

Henk Bethlehem

 

Hebt u vragen over uw handelsnaam? Of hebt u vragen over merkenrecht? De advocaten van de ICT/IE-branche helpen u graag verder!

 

[1] 6 Dagen nadat Sylvana Simons haar partijnaam bekendmaakte.

[2] Het criterium uit de jurisprudentie voor ‘men, is: de verwachting van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument.

 

 

Contact

  • 050 314 0 840
  • [email]

Blog